·9 min lezen
E-commerceaangiften per 1 juli
Op 1 juli 2021 verviel de btw-vrijstelling voor zendingen tot tweeëntwintig euro. Sindsdien is over elk pakket dat de Unie binnenkomt btw verschuldigd, en btw heffen kan alleen op basis van een aangifte. Dit artikel zet op een rij wat dat regime vandaag van een aangever vraagt, waar het nog steeds vastloopt, en welke kant het op beweegt.

Wat gebeurde er op 1 juli 2021 aan de grens?
Tot die datum was een zending met een intrinsieke waarde tot tweeëntwintig euro vrijgesteld van invoer-btw. In de praktijk betekende dat dat een groot deel van de pakketstroom uit China, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten de grens over ging zonder dat er ooit een aangifte aan te pas kwam. Wat op 1 juli 2021 voor die vrijstelling in de plaats kwam, is geen hoger tarief maar een aangifteplicht. Over elke zending is btw verschuldigd, ongeacht de waarde, en de Douane kan die btw alleen heffen als er een aangifte ligt. Een stroom die tot dan toe grotendeels buiten het douanesysteem viel, kwam er in één keer volledig in. Voor een aangever is dat de kern van 1 juli 2021. Niet dat pakketten duurder werden, maar dat het aantal aangiften meebeweegt met een stroom die in stuks wordt geteld en niet in containers. Precies daarom kreeg e-commerce een eigen kanaal en een eigen, sterk beperkte gegevensset.
Wat doet de drempel van honderdvijftig euro nog wel?
De drempel van honderdvijftig euro bestaat nog steeds, maar hij gaat over invoerrechten en niet over btw. Onder die grens is de zending vrijgesteld van invoerrecht. Btw is er hoe dan ook over verschuldigd. Die twee dingen worden dagelijks door elkaar gehaald, en het verschil bepaalt zowel het kanaal als de rekening voor de ontvanger. De grens wordt gemeten aan de intrinsieke waarde: de prijs van de goederen zelf, zonder vracht en zonder verzekering. Een pakket met honderdveertig euro aan goederen en twintig euro verzendkosten blijft dus onder de grens. Staat op de commercial invoice alleen een totaalbedrag, dan moet je bij een controle kunnen laten zien hoe je tot de intrinsieke waarde bent gekomen. Splitsen om onder de grens te blijven werkt niet. Goederen die samen zijn besteld en samen worden verzonden zijn één zending, ook wanneer de vervoerder er twee labels op plakt. Bij een controle achteraf wordt naar de bestelling gekeken en niet naar het aantal labels, en de correctie komt dan bij de aangever terecht.
Waarom kan DECO wel wat DMS niet kan?
DECO is het Nederlandse kanaal voor aangiften van zendingen tot honderdvijftig euro. Het draait op de H7-gegevensset uit het DWU, de sterk beperkte set met onder meer afzender, geadresseerde, waarde, een korte omschrijving en een zescijferige goederencode. Geen volledige tiencijferige code, geen opbouw van de douanewaarde, geen vergunningenketen per regel. Dat is precies wat een pakketstroom nodig heeft. Een volledige invoeraangifte in DMS vraagt gegevens die bij een zending van veertig euro eenvoudigweg niet bestaan, en die per pakket invullen zet de stroom stil. De beperkte set maakt volledig geautomatiseerd aangeven mogelijk, waarbij een mens alleen nog naar de afwijzingen kijkt. Die snelheid heeft een prijs. Zes cijfers dragen geen antidumping, geen quota en geen verboden en beperkingen. Een zending met een keuringsplichtig product hoort daarom niet in DECO, ook niet als de waarde onder de grens ligt, en accijnsgoederen vallen er evenmin onder. Die gaan als gewone invoeraangifte in DMS. SKAI kiest het kanaal op basis van waarde, goederensoort en de regels die per opdrachtgever zijn vastgelegd.

Wie int de btw als de verkoper IOSS gebruikt?
Met IOSS int de verkoper de btw al op het moment van de verkoop en draagt hij die maandelijks af in één lidstaat. De zending komt dan zonder btw-heffing bij invoer binnen. Het IOSS-nummer hoort op de aangifte te staan. Ontbreekt het, dan heft de Douane gewoon opnieuw en betaalt de consument twee keer over hetzelfde pakket. Zonder IOSS wordt de btw bij invoer geheven. In de praktijk schiet de vervoerder die voor en belast hem samen met inklaringskosten door aan de ontvanger. Dat is de rekening die bij de voordeur komt, en het is de reden dat platforms IOSS gebruiken: dezelfde zending wordt met of zonder IOSS een heel ander klantcontact. IOSS dekt de btw en verder niets. Invoerrechten vallen er niet onder, en boven honderdvijftig euro is de regeling niet toepasbaar. Een zending van honderdzestig euro met een IOSS-nummer op de vrachtbrief is dus een fout die je vóór indiening wilt zien en niet erna, want daarna is het een correctie met een ontevreden ontvanger erbij.
Welke fouten kun je aan deze kant niet meer repareren?
De gegevens in een e-commerceaangifte komen niet uit een douaneadministratie maar uit een webshop. Wat de verkoper in zijn productveld heeft getypt, is wat jij aangeeft. Gift, sample, present, goods: het zijn omschrijvingen die geen goederencode dragen en waar de Douane niets mee kan. Aan deze kant van de keten valt zo'n omschrijving niet te repareren. Je weet niet wat er in het pakket zit, en gokken op een code die achteraf onjuist blijkt is een groter probleem dan een afwijzing vandaag. In de praktijk blijft de zending liggen of gaat ze terug totdat de verkoper met bruikbare gegevens komt. Daarom is de mapping vanuit het webshopsysteem het eigenlijke werk. Een veld dat omschrijvingen afkapt, een valuta die niet meekomt, een waarde die wordt afgerond: zulke fouten produceren afwijzingen in hetzelfde tempo als waarin de stroom binnenkomt. SKAI toetst de omschrijving, de code en de waarde voordat de aangifte naar DECO gaat, en houdt per opdrachtgever bij welke velden structureel misgaan, zodat je het gesprek met de verkoper kunt voeren met een lijst in plaats van met een onderbuikgevoel.
Waarom vraagt de retourstroom een eigen inrichting?
Bij e-commerce komt een deel van wat is ingevoerd weer terug. Dat is geen uitzondering maar een vaste stroom, en hij loopt niet vanzelf goed. Een pakket dat naar de verkoper teruggaat verlaat de Unie en heeft dus een uitvoeraangifte nodig, ook als de waarde laag is en ook als er bij invoer geen invoerrecht is betaald. Wil de ontvanger zijn btw terug, dan moet de link tussen de invoer en de retour aantoonbaar zijn. Zonder die koppeling is er btw geheven over goederen die niet in de Unie zijn gebleven, en dat corrigeer je niet met een mailtje achteraf. Het MRN van de oorspronkelijke aangifte is daarbij het enige harde aanknopingspunt, en dat MRN moet dus mee in de administratie van de retour. Komt hetzelfde artikel later opnieuw binnen, bijvoorbeeld na reparatie of omruiling, dan speelt de regeling voor terugkerende goederen. Die vraagt bewijs dat het om precies die goederen gaat. Een retourstroom die alleen in het WMS bestaat en niet in de douaneadministratie levert dat bewijs niet, en dan betaal je bij herinvoer opnieuw.
Wat gebeurt er als ook de vrijstelling van invoerrechten vervalt?
De Europese Unie werkt aan het schrappen van de vrijstelling van invoerrechten tot honderdvijftig euro. Die richting ligt er, een bevestigde datum niet. Alles wat op deze pagina tijdgebonden is hoort dus tegen de op dat moment geldende regels te worden gecontroleerd voordat je er je inrichting op baseert. De gevolgen zijn wel te overzien. Invoerrecht berekenen kan niet op zes cijfers. Dan is per pakket een volledige tiencijferige goederencode nodig, met alles wat daaraan hangt: het derdelandentarief, een eventuele preferentie, antidumping en de documentcodes die bij verboden en beperkingen horen. De H7-set zoals hij nu is draagt dat niet, dus verschuift het werk van aangeven naar classificeren. Wat je nu al kunt doen is de classificatie losmaken van de aangifte. Een artikelbestand per opdrachtgever, met een tiencijferige code per SKU en gevoed door de omschrijvingen die de verkoper aanlevert, is werk dat vandaag al rendeert op minder afwijzingen en dat je later niet onder tijdsdruk hoeft te doen. Dat is de voorbereiding die niet van een datum afhangt.

